In het centrum van Nijmegen staat een gebouw met een geschiedenis die bijna vijf eeuwen teruggaat. De voormalige weeshuizen aan de Begijnenstraat waren eeuwenlang de plek waar Nijmeegse weeskinderen werden opgevangen, opgevoed en voorbereid op een zelfstandig leven. Wat begon met een testament in 1554 groeide uit tot een instelling die bijna vierhonderd jaar lang een belangrijke rol speelde in de stad.

Een testament uit 1554

Op 11 maart 1554 liet de Nijmeegse weduwe Stijn Buys haar testament opmaken. Een deel van haar nalatenschap moest worden gebruikt voor een stedelijk weeshuis. Daar moesten arme en verlaten weeskinderen uit Nijmegen worden opgevangen. De kinderen zouden er bovendien een vak kunnen leren, passend bij hun mogelijkheden.

Na haar overlijden werd geprobeerd haar wens uit te voeren. Het geld uit de nalatenschap bleek niet voldoende. Het stadsbestuur en enkele inwoners van Nijmegen sprongen daarom bij. Uiteindelijk kon een huis met erf aan de Broerstraat worden gekocht. Daar was plaats voor zes jongens en zes meisjes.

Op 31 januari 1560 kon het Burger Weeshuis officieel beginnen. Het stadsbestuur stelde bestuurders aan die toen provisoren werden genoemd en later regenten. Regenten waren de bestuurders van het weeshuis.

Niet ieder kind kwam in aanmerking

Het weeshuis was niet zomaar voor ieder kind zonder ouders toegankelijk. Het stadsbestuur stelde in 1560 duidelijke voorwaarden op. Een kind moest wees zijn, geboren uit een wettig huwelijk en de overleden ouders moesten in Nijmegen zijn geboren. Zij moesten bovendien altijd in Nijmegen hebben gewoond en minimaal zes jaar het Nijmeegse burgerrecht hebben gehad.

Dat betekende dat een deel van de kinderen zonder ouders niet in het Burger Weeshuis terechtkon. Daar kwam later een oplossing voor.

Van de Broerstraat naar de Begijnenstraat

Het pand aan de Broerstraat bleek al snel te klein en verkeerde bovendien in slechte staat. Begin 1562 verhuisde het weeshuis daarom naar een groter gebouw aan de Begijnengas, de straat die tegenwoordig Begijnenstraat heet. Het ging om een ruim huis met enkele bijgebouwen en een open plaats.

Daar zouden bijna vier eeuwen lang Nijmeegse weeskinderen wonen. Van 1562 tot 1953 bleef het gebouw in gebruik als weeshuis. In de loop van de tijd werd het meerdere keren verbouwd en gerestaureerd.

Het gebouw en delen van het complex zijn tegenwoordig rijksmonument. De gevelarchitectuur van het pand aan de Begijnenstraat werd in 1644 uitgevoerd door Salomon de Bray uit Haarlem. Ook de toegangspoort aan de straatzijde is bijzonder. Aan weerszijden staan beelden van weeskinderen.

Van katholiek naar protestants

Het Burger Weeshuis was oorspronkelijk katholiek. Dat veranderde nadat Nijmegen in 1591 door stadhouder Maurits van Nassau was veroverd. Het weeshuis moest een protestantse instelling worden. Vanaf 1592 kregen de kinderen er een gereformeerde, dus protestantse, opvoeding.

De verandering had gevolgen voor de manier waarop het weeshuis werd bestuurd en voor het dagelijks leven van de kinderen. Jongens en meisjes leefden strikt gescheiden. Ze kregen onderwijs en leerden een vak waarmee ze later in hun eigen levensonderhoud konden voorzien.

Een tweede weeshuis aan de Doddendaal

Niet alle weeskinderen voldeden aan de voorwaarden van het Burger Weeshuis. Daarom kwam er in 1638 een tweede weeshuis aan de Doddendaal, op de Hessenberg. Daar werden onder meer kinderen opgevangen die niet in het Burger Weeshuis terechtkonden, zoals vondelingen en kinderen van militairen die in Nijmegen waren gelegerd.

Een leven vol regels

Het leven in de weeshuizen was lange tijd streng en sober. Er waren veel regels en kinderen die zich daar niet aan hielden konden worden gestraft. De mogelijkheden voor ontspanning waren beperkt.

Ook het onderwijs was in eerste instantie vooral gericht op een eenvoudig beroep. Meisjes werden bijvoorbeeld opgeleid tot naaister of dienstbode. Jongens leerden vanaf ongeveer hun veertiende een vak bij een baas. Vanaf het einde van de negentiende eeuw kregen kinderen met meer aanleg ook de mogelijkheid om voor andere beroepen of ambachten te worden opgeleid.

De kinderen gingen daarnaast naar school. Vanaf ongeveer 1700 kregen zij lange tijd onderwijs in het weeshuis zelf. Rond 1900 kwam daar verandering in en gingen de kinderen weer naar scholen in het centrum van Nijmegen.

De dagelijkse zorg lag bij een weeshuisvader en weeshuismoeder, meestal een echtpaar. De kinderen noemden hen ook vader en moeder. Vanaf 1900 mocht de weeshuisvader ook de titel directeur gebruiken.

De Regentenzaal

In het gebouw aan de Begijnenstraat bevindt zich ook de Regentenzaal. Hier kwamen de regenten, de bestuurders van het weeshuis, bijeen. De ruimte heeft nog verschillende historische onderdelen, waaronder een bijzondere inrichting en een plafond uit een latere periode.

De Regentenzaal is in 1984 en 1985 gerestaureerd en kreeg in 2015 en 2016 opnieuw een grondige opknapbeurt.

Het einde van de weeshuizen

In de negentiende en twintigste eeuw veranderde de zorg voor kinderen langzaam. Ook het aantal kinderen in de weeshuizen nam uiteindelijk af. In 1817 kwamen de twee Nijmeegse weeshuizen onder gezamenlijk bestuur. Wel bleven ze gescheiden naar geloof: het ene was protestants en het andere katholiek.

In 1953 woonden in beide weeshuizen samen nog maar zestien kinderen. Het was financieel niet meer haalbaar om de twee instellingen in stand te houden. De overgebleven kinderen werden ondergebracht in pleeggezinnen, waarbij de kosten door de weeshuizen werden betaald. Daarmee kwam na bijna vier eeuwen een einde aan de weeshuizen in Nijmegen.

Van weeshuis naar gezondheidscentrum

Na de sluiting kreeg het complex aan de Begijnenstraat een andere bestemming. Het grootste deel van het pand aan de Begijnenstraat 29 is sinds 1982 in gebruik als gezondheidscentrum. De historische Regentenzaal bleef behouden.

Het voormalige weeshuis maakt deel uit van een groter complex dat zich uitstrekt richting de Papengas. Door de groei van het aantal weeskinderen was het complex in de zeventiende eeuw uitgebreid. Later kwamen er opnieuw gebouwen bij. Het gebied heeft in de twintigste eeuw verschillende functies gehad en werd uiteindelijk deels een buurtcentrum.

Loop je een keer door de Begijnenstraat, dan zie je dus een gebouw dat op het eerste gezicht misschien vooral een monumentaal pand lijkt. Maar achter de gevel gaat een geschiedenis schuil die teruggaat tot 1554. Eeuwenlang was dit een plek waar kinderen zonder ouders woonden, leerden en werden voorbereid op hun verdere leven.

Bericht geplaatst door: Peter Weijers

Geef een reactie